Werkgevers krijgen regelmatig te maken met werknemers die jaren na dato alsnog betaling van vermeend onbetaalde overuren vorderen. De gedachte leeft vaak dat loonvorderingen vrijwel altijd afdwingbaar zijn zolang de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Haag laat echter zien dat een werknemer ook veel eerder zijn rechten kan verliezen. Wie te lang wacht met klagen over een vermeend loontekort, kan tegen de zogenoemde klachtplicht aanlopen.

Wat speelde er?

De werknemer trad in 2011 in dienst bij een horecabedrijf als medewerker cafébedrijf. Op zijn arbeidsovereenkomst was de cao Koninklijke Horeca Nederland van toepassing. Volgens de werknemer werkte hij jarenlang structureel overuren die niet volledig werden gecompenseerd of uitbetaald. Het ging volgens hem niet om incidentele overschrijdingen van de arbeidsduur, maar om gemiddeld ongeveer dertien overuren per week, voornamelijk na sluitingstijd van het café.

In april 2018 stelde de werknemer voor het eerst formeel dat hem te weinig loon was betaald. Vervolgens vorderde hij onder meer betaling van ruim € 22.000 aan niet-betaalde overuren. De werkgever verweerde zich met een beroep op artikel 6:89 BW: de klachtplicht. Volgens de werkgever had de werknemer veel eerder aan de bel moeten trekken.

De zaak maakte een lange juridische reis. Het gerechtshof Amsterdam wees de loonvordering aanvankelijk af omdat de werknemer niet tijdig had geklaagd. De Hoge Raad vernietigde die uitspraak vervolgens gedeeltelijk omdat het hof bepaalde omstandigheden onvoldoende had meegewogen. Na verwijzing moest het Gerechtshof Den Haag de zaak opnieuw beoordelen.

Geldt de klachtplicht ook voor loonvorderingen?

Voordat het Hof Den Haag de zaak opnieuw kon beoordelen, had de Hoge Raad een belangrijk juridisch uitgangspunt vastgesteld. De werknemer had namelijk betoogd dat de klachtplicht niet van toepassing is op loonvorderingen uit arbeidsovereenkomsten. Dat argument vond geen gehoor.

De Hoge Raad oordeelde uitdrukkelijk dat artikel 6:89 BW in beginsel van toepassing is op alle verbintenissen, waaronder ook verplichtingen uit een arbeidsovereenkomst en verplichtingen tot betaling van een geldsom. Ook een gedeeltelijke onderbetaling van loon kan worden gezien als een gebrek in de prestatie waarop de klachtplicht van toepassing is.

Dat betekent echter niet dat een werknemer altijd direct zijn rechten verliest. Bij de beoordeling of tijdig is geklaagd moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder de aard van de arbeidsrelatie, de positie van de werknemer en het nadeel dat de werkgever ondervindt door het late klagen.

Waarom verloor de werknemer uiteindelijk toch?

Na verwijzing beoordeelde het Hof Den Haag de zaak opnieuw, ditmaal met inachtneming van de aanwijzingen van de Hoge Raad. Toch kwam het hof uiteindelijk tot dezelfde conclusie: de werknemer had niet binnen bekwame tijd geklaagd.

Het hof vond daarbij een aantal omstandigheden van doorslaggevend belang. De werknemer wist al jarenlang dat overuren volgens de cao gecompenseerd of betaald moesten worden. Op zijn loonstroken stonden bovendien maandelijks overuren vermeld, zodat hij bekend was met het systeem van overwerkregistratie en vergoeding. De gestelde ontbrekende overuren betroffen bovendien geen incidentele vergissingen, maar volgens zijn eigen stellingen structureel ongeveer dertien uur per week.

Juist omdat het ging om een structureel en zichtbaar verschil tussen gewerkte en betaalde uren, mocht van de werknemer worden verwacht dat hij eerder formeel zou protesteren. Dat gebeurde echter pas in april 2018, terwijl de vermeende onderbetaling volgens hem al jarenlang speelde.

“Ik durfde niet te klagen” was onvoldoende

De werknemer voerde aan dat hij zich tijdens het dienstverband geremd voelde om de werkgever aan te spreken. Volgens hem was sprake van een intimiderende bedrijfscultuur en liep hij het risico zijn arbeidsrelatie op het spel te zetten. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat dergelijke omstandigheden relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de klachtplicht.

Het Hof Den Haag vond dit argument in dit specifieke geval echter onvoldoende overtuigend. Uit de eigen processtukken van de werknemer bleek namelijk dat hij en zijn collega’s juist regelmatig discussieerden met de werkgever over de gewerkte uren en de naleving van de cao. Volgens het hof was dat moeilijk te rijmen met de stelling dat de werknemer zich niet vrij voelde om klachten te uiten.

Daarom concludeerde het hof dat van de werknemer wel degelijk mocht worden verwacht dat hij zijn bezwaren eerder en duidelijker kenbaar had gemaakt.

Het nadeel voor de werkgever gaf de doorslag

Een belangrijk onderdeel van de klachtplicht is de vraag of de werkgever nadeel ondervindt door het late protest. Daar lag volgens het hof uiteindelijk de kern van de zaak.

De toepasselijke cao bepaalde namelijk dat overuren in beginsel niet in geld worden uitbetaald, maar eerst moeten worden gecompenseerd met vrije tijd. Alleen wanneer compensatie niet mogelijk blijkt, volgt uitbetaling. Omdat de werknemer jarenlang had gewacht met zijn formele klacht, was de werkgever de mogelijkheid ontnomen om die compensatie nog aan te bieden. Ook kon de werkgever de werkzaamheden niet meer anders organiseren om structureel overwerk in de toekomst te voorkomen.

Volgens het hof woog dit nadeel zwaarder dan het belang van de werknemer bij zijn loonvordering. Het gevolg was ingrijpend: de werknemer verloor zijn aanspraak op betaling van de door hem gestelde overuren.

Praktische les voor werkgevers: reageer direct op signalen van loonclaims

Deze uitspraak laat zien dat werkgevers niet alleen alert moeten zijn op verjaringstermijnen, maar ook op de klachtplicht. Wanneer een werknemer meent dat loon, toeslagen of overuren onjuist worden verwerkt, mag van hem worden verwacht dat hij daar binnen redelijke tijd over klaagt. Blijft een formeel protest jarenlang uit, dan kan dat onder omstandigheden leiden tot verval van rechten.

Tegelijkertijd onderstreept de uitspraak het belang van een zorgvuldige urenregistratie en een heldere administratie. Juist wanneer een werkgever kan aantonen hoe overuren zijn geregistreerd, gecompenseerd of uitbetaald, staat hij sterker wanneer achteraf discussie ontstaat over loonvorderingen.

Conclusie: ook loonvorderingen kennen een klachtplicht

Veel werknemers denken dat een loonvordering uitsluitend wordt begrensd door de verjaringstermijn. Deze uitspraak maakt duidelijk dat er nog een belangrijke hobbel bestaat. Ook bij loonvorderingen kan de klachtplicht van artikel 6:89 BW een rol spelen. Wie jarenlang weet dat bepaalde uren volgens hem niet worden betaald en daarover niet tijdig protesteert, loopt het risico zijn aanspraken volledig te verliezen. Voor werkgevers biedt deze uitspraak een krachtig verweer tegen zeer laat ingestelde loonclaims, mits voldoende kan worden aangetoond dat het late klagen daadwerkelijk tot nadeel heeft geleid.

Vindplaatsen: Hoge Raad 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281, en Gerechtshof Den Haag 7 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2130.

« Terug naar het overzicht

© 2026 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators