Vrouw verdwenen van werk en volledig onbereikbaar: hoeveel geduld moet je als werkgever hebben?


Verlofopbouw tijdens langdurige arbeidsongeschiktheid; slapend dienstverband

Recent is een conclusie van Advocaat-Generaal De Bock verschenen.[1] Zij heeft in haar conclusie een lijvig advies gegeven aan de Hoge Raad over de vraag of er tijdens een slapend dienstverband verlofuren worden opgebouwd. In de conclusie komt het juridisch kader van Europees recht en van Nederlands recht naar voren. Wat betreft vakantiedagen ontstaat daar een botsing tussen rechtstelsels.

De aanleiding van de conclusie was een prejudiciële vraag op grond van art. 392 Rv. Omdat het gaat over het recht op vakantie, moet men zich wenden tot het Europees recht. Het recht op vakantie is terug te vinden in de Arbeidstijdenrichtlijn (art. 7) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (art. 31 lid 2 en art. 52 lid 1). In tegenstelling tot het Nederlands recht, maakt het Europees recht een uitzondering voor arbeidsongeschikte werknemers. Ondanks dat zij niet hebben gewerkt, hebben zij wel recht op vakantie. 

Een slapend dienstverband heeft zijn duiding gekregen in de Xella-beschikking van de Hoge Raad.[2] Dit betreft de situatie van een dienstverband van een werknemer die na twee jaar arbeidsongeschiktheid (104 weken) nog steeds in dienst is bij werkgever, terwijl de loonbetalingsverplichting is geëindigd. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst niet opgezegd, hoewel hij daar wel gezien de lengte van de arbeidsongeschiktheid toe bevoegd is.

De opbouw van vakantiedagen wordt door de Nederlandse wetgever gekoppeld aan het recht op loon. Omdat dit recht niet meer bestaat na 104 weken, werd de opbouw van vakantiedagen ook stopgezet op dat moment. De Europese wetgeving gaat hier anders mee om en is erg duidelijk met betrekking tot het recht op vakantie. Aan dit recht mogen geen voorwaarden worden gesteld. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat dit niet gaat om bovenwettelijke vakantiedagen, maar om een periode van minimaal vier weken per jaar met behoud van loon. 

Een werknemer kan zich rechtstreeks beroepen op het Europese recht op vakantie. Nederlandse wetgeving moet daarom wijken. Zo ook in het geval van een slapend dienstverband. Art. 7:643 lid 1 BW moet buiten toepassing worden gelaten in zoverre zij strijdig is met art. 31 lid 2 Handvest. Er bestaat een uitzondering op art. 31 lid 2 Handvest. Lidstaten mogen een vervaltermijn op de opgebouwde vakantiedagen regelen, mits de vervaltermijn langer is dan referentieperiode. Een vervaltermijn voor opgebouwde vakantiedagen voordat de werknemer arbeidsongeschikt was, is echter niet toegestaan. Het Nederlands recht kent (nog) niet een dergelijke regeling en valt daarom terug op de hoofdregel. Ook tijdens een slapend dienstverband bouwt een werknemer vakantiedagen op. Dit betekent dat het erg onaantrekkelijk is voor een werkgever om te wachten met de opzegging van het dienstverband. Langzaam maar zeker wordt de financiële aanspraak van de werknemer waarvan uiteindelijk alsnog de arbeidsovereenkomst eindigt steeds groter.

Ons advies aan werkgevers is dan ook om zo spoedig mogelijk na het eindigen van de loondoorbetalingsverplichting van 104 weken over te gaan tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit kan door een beëindigingsovereenkomst af te spreken of door een ontslagprocedure bij het UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.


[1] Concl. A-G De Bock 10 september 2026, ECLI:NL:PHR:2026:984.

[2] HR 8 november 2019, ECLI:NL:2019:1734 (Xella).

« Terug naar het overzicht

© 2026 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators