Vorige week heeft de Rechtbank Gelderland een interessante uitspraak [1] gedaan die raakt aan de reikwijdte van het recht van het kind op afstammingsvoorlichting. Of liever: van de (vermoedelijke) verwekker om zich op dit recht te beroepen. Verweerders zijn de moeder, die de (vermoedelijke) verwekker van het kind tijdens de Nijmeegse Vierdaagse had ontmoet, en haar huidige echtgenoot (de juridische vader van het kind).

In het VN-Kinderrechtenverdrag ligt de verdragsrechtelijke basis van het recht van het kind zijn (lees: biologische) ouders te kennen en door hen te worden verzorgd (artikel 7 lid 1 IVRK) en op zijn eigen identiteit (artikel 8 IVRK). Het kind heeft dit informatierecht ‘voor zover mogelijk.’ Uit die woorden blijkt wel dat het hier geen ‘absoluut recht’ betreft, in de zin dat er ook grenzen aan het recht om de ouders te kennen gesteld kunnen worden. Maar niet alleen in het Kinderrechtenverdrag, ook in het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) vinden we dit (begrensde) identiteitsrecht terug. Zo wordt hetzelfde recht ontleend aan het recht op privéleven in het EVRM (artikel 8), zoals mag blijken uit vele uitspraken van het EHRM. De Nederlandse rechter laat het recht van het kind om te weten wie zijn biologische ouders zijn, in lijn met deze uitspraken van het EHRM, ook zwaar meewegen. Ook in de uitspraak van de rechtbank wordt hieraan belang gehecht in de laatste rechtsoverweging: ‘volledigheidshalve wijst de rechtbank de vrouw en [verweerder] er op dat er op hen, als juridisch ouders van [het kind], een grote verantwoordelijkheid rust om het kind correct te informeren over zijn afkomst.’

Op wie rust nu deze verantwoordelijkheid om het kind in te lichten en vanaf welke leeftijd is dit aangewezen? En in hoeverre ligt hier een -misschien ongemakkelijke- taak voor de juridische ouders, voor de (vermeende) biologische ouder zelf of is dit -soms- ook iets voor de overheid? Wat de rol van de overheid als voorlichter over afstammingsinformatie betreft, kun je denken aan de rol van de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting en de Wet donorgegevens (2004). Ook kun je denken aan het voorstel om te komen tot een Register Ontstaansgeschiedenis (ROG), zoals voorgesteld in het Rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap (2016). Mensen zouden zo, via hun geboorteakte, zelf kunnen zien dat er voor hen nog informatie beschikbaar is. Wellicht komt het ROG tot stand wanneer de wetgever zich nog dit jaar buigt over een nieuwe regeling van het draagmoederschap. Een aantekening in de geboorteakte roept bovendien rechtsvragen op over privacy en het gelijkheidsbeginsel; voorstelbaar is ook dat veel mensen het liever niet willen weten hoe het eigenlijk zit met hun afstamming. En wat de juiste leeftijd om het kind te informeren betreft: er zijn wisselende uitspraken in het EHRM maar heersend lijkt de opvatting dat het belang toeneemt naarmate de betrokkene ouder wordt.

In deze zaak wordt de verantwoordelijkheid voor het informeren van het kind door de rechter primair bij de juridische ouders  gelegd. Het is niet aan de overheid maar ook niet aan de man die zelf beweert de verwekker te zijn om een nog zeer jong kind te informeren en zich in dat kader te beroepen op het identiteitsrecht van het kind en van hemzelf. Het spreekt haast voor zich dat het voor een jong kind en een stabiel gezin confronterend en ontwrichtend zijn  wanneer vast komt te staan dat het kind door een andere vader is verwekt of een andere man dan de juridische vader zich op deze wijze ‘opdringt’ aan het kind.

De rechtbank stelt in feite, onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,[2] vast dat het belang van het kind en dat van de biologische vader niet zonder meer samenvallen. Ook de vermeende verwekker heeft een (beperkter) recht om de biologische werkelijkheid te achterhalen. De belangen van het kind en het gezin waarin hij opgroeit, wegen echter zwaarder dan het (persoonlijkheids-)recht van de man bij vaststelling van het mogelijke biologisch vaderschap (artikel 8 EVRM). Bij deze afweging neemt de rechtbank in aanmerking dat de man zijn stelling dat hij de verwekker is, baseert op WhatsApp-berichten. Daaruit maakte hij op dat de vrouw in het conceptietijdvak alleen met hem geslachtsgemeenschap zou hebben gehad. In de overgelegde WhatsApp-berichten kan de rechtbank echter niet teruglezen dat de vrouw de man ondubbelzinnig zou hebben laten weten dat hij de vader van het kind zou zijn.

De rechtbank is uiteindelijk van oordeel dat een DNA-onderzoek een te grote inbreuk zal zijn op de persoonlijke levenssfeer van het gezin, omdat dat de balans binnen het gezin waarin het kind wordt verzorgd en opgroeit ernstig zal verstoren. In hoeverre de rechtbank de jeugdige leeftijd van het kind daarin laat meewegen, is niet helemaal duidelijk. In ieder geval lijkt de motivering van de rechtbank te sporen met de uitleg die het EHRM in een vergelijkbare casus gaf aan het identiteitsrecht van het kind.  Dat Hof oordeelde in de zaak Mandet [3]dat de Franse rechters artikel 8 EVRM niet hadden geschonden door te oordelen dat het belang van het kind en diens belang om zijn afkomst te kennen vereisen dat de erkenning van het vaderschap door de echtgenoot van de moeder wordt vernietigd wanneer een andere man vraagt ​​om erkenning als de vader van het kind. Het EHRM was het met de Franse rechters eens dat het primaire belang van het kind was om de waarheid over zijn afkomst te kennen, ook al had het kind brieven aan de Franse rechtbanken geschreven met het verzoek zijn bestaande naam en familierechtelijke betrekking met zijn juridische vader te behouden. Het was echter niet aan de biologische vader om hierin het voortouw te nemen. Dat geldt ook voor eventuele omgang met het kind.

Ook wijst de rechtbank het verzoek om omgang van de (vermoedelijke) verwekker af;  als er al sprake was van een seksuele relatie tussen de man en de vrouw, dan is niet gebleken dat zij de intentie hadden om een gezinsleven te starten (‘de vrouw kon immers geen kinderen krijgen’); uit de overgelegde WhatsApp-berichten tussen de man en de vrouw, daargelaten of deze berichten echt of nep zijn, valt niet expliciet op te maken dat de vrouw de man als verwekker van het kind aanwijst, het kind is geboren tijdens het huwelijk van de moeder en haar huidige partner (vgl. ook hierin Mandet). Daarnaast speelt mee dat de vermoedelijke verwekker het kind nooit heeft gezien en hij nog geen juridische stappen had gezet tot verkrijging van het juridische ouderschap vóór de geboorte van het kind en vóór het huwelijk van de moeder met haar echtgenoot (de juridische vader van het kind).

Dat roept de vraag op of er wel recht op omgang bestaat als er nooit contact geweest is tussen ouder en kind, maar wanneer dit waarschijnlijk wel aan de orde zou zijn geweest als er geen geschil was ontstaan. In andere zaken hebben de biologische vaders geen enkele vorm van een relatie met het kind kunnen opbouwen omdat de moeder elke vorm van contact tegenhield; er kan dan geen nauwe persoonlijke betrekking ontstaan.

Er kan dan soms toch sprake zijn van een nauwe persoonlijke betrekking volgens artikel 8 EVRM. Dat kan worden opgemaakt uit uitspraken van het EHRM (EHRM 21 december 2010, appl. no.20578/07, NJ 2011/508 (Anayo/Duitsland) en EHRM 15 september 2011, appl.no.17080/07 (Schneider/Duitsland) die ruimte laten voor deze groep biologische vaders om toch ontvankelijk te worden verklaard in hun verzoeken. In die situatie zou er volgens het EHRM soms family life kunnen zijn op grond van de intentie van de biologische vader daartoe dan wel vanwege diens recht op private life.

Voor al uw vragen over het afstammings- en omgangsrecht alsook andere vragen over het familierecht, kunt u terecht bij de advocaten van Vallei Advocaten & Mediators.

mr. dr. R.J. Blauwhoff


[1] Rechtbank Gelderland, 29 januari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:631.

[2] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7165.

[3] EHRM 14 januari 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0114JUD003095512 (Mandet/Frankrijk), NJB 2016/287.

« Terug naar het overzicht

© 2020 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators