In het kader van een echtscheidingsprocedure kan een van de partijen de rechtbank vragen een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen. Voor wat betreft de duur van de onderhoudsverplichting tussen ex-echtgenoten geldt dat indien het huwelijk korter heeft geduurd dan vijf jaren en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren, de onderhoudsverplichting van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk gerekend vanaf de datum van echtscheiding.

Nu komt het wel eens voor dat er sprake is van een echtscheidingsprocedure waarbij geen kinderen zijn betrokken en ook dat het huwelijk minder dan vijf jaren heeft geduurd. Een van de partijen kan dan er belang bij hebben de echtscheidingsprocedure te rekken om op die manier gedurende een periode van twaalf jaren na datum echtscheiding aanspraak te kunnen maken op partneralimentatie.

Een dergelijke situatie deed zich voor in een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 29 maart 2012 (JLN BW6416). De feiten in deze zaak waren als volgt. Partijen zijn in 2006 met elkaar gehuwd. In oktober 2010 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en wordt bepaald dat door de man aan de vrouw een bedrag van
€ 120,– per maand aan partneralimentatie moet worden voldaan.

Door de vrouw wordt in hoger beroep gesteld dat het huwelijk van partijen niet duurzaam zou zijn ontwricht waardoor de rechtbank dus ten onrechte de echtscheiding had uitgesproken. De man voert aan dat de vrouw misbruik maakt van (proces)recht door in hoger beroep de duurzame ontwrichting van het huwelijk te betwisten, terwijl zij deze duurzame ontwrichting in het kader van de procedure bij de rechtbank heeft erkend. De reden van deze hernieuwde betwisting heeft dan ook slechts tot doel verlenging van zijn onderhoudsverplichting. De man verzoekt het hof daarom de duur van zijn onderhoudsverplichting te beperken tot mei 2015.

Het hof is met de man van oordeel dat de vrouw door haar opstelling misbruik maakt van recht dan wel misbruik van haar processuele bevoegdheid heeft gemaakt. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de zaak bij de rechtbank volgt namelijk dat de vrouw destijds de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet langer betwistte en ook dat zij haar verzoek om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot echtscheiding had ingetrokken. Bovendien had de vrouw de rechtbank eveneens verzocht de echtscheiding uit te spreken.

Nu de vrouw in hoger beroep geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht ter rechtvaardiging van haar gewijzigde standpunt met betrekking tot de betwisting van de duurzame ontwrichting van het huwelijk, oordeelt het hof dat de vrouw haar bevoegdheid hoger beroep in te stellen tegen de beschikking waarbij de echtscheiding werd uitgesproken heeft uitgeoefend met geen ander doel dan de man te schaden dan wel met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, namelijk het verlengen van de duur van de onderhoudsverplichting van de man.

Op grond van het vorenstaande beperkt het hof de onderhoudsverplichting in duur tot een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk wanneer het huwelijk zou zijn ontbonden door inschrijving van de beschikking uiterlijk drie maanden nadat deze was gewezen. Nu de echtscheiding tussen partijen door de rechtbank in oktober 2010 was uitgesproken, stelde het hof de duur van het huwelijk vast tot en met januari 2011 wat overeenkwam met een periode van vier jaren en ruim vier maanden. Het verzoek van de man de duur van zijn onderhoudsverplichting tegenover de vrouw te beperken tot mei 2015 werd dus door het hof toegewezen.

Deze uitspraak leert ons dat het rekken van een echtscheidingsprocedure gevolgen met zich mee kan brengen. Indien een dergelijke situatie zich dan ook voordoet, is het raadzaam hierover juridisch advies in te winnen.

« Terug naar het overzicht

© 2018 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators