In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsook in het door de rechtbanken gehanteerde Procesreglement Scheiding staat exact omschreven hoe een echtscheidingsprocedure moet worden gevoerd. Een van de voornaamste doelen van deze regelgeving is te voorkomen dat een echtgenoot zonder dat hij of zij dat weet, wordt geconfronteerd met een echtscheiding. Dat een dergelijke situatie weldegelijk zich toch kan voordoen, blijkt wel uit een uitspraak van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 17 juli 2013 (ECLI:NL:RBGEL:2013:6430).

De feiten in deze zaak zijn als volgt. Man en vrouw zijn in 2003 met elkaar getrouwd. In 2012 dient de man een verzoek tot echtscheiding in. In de daarop volgende echtscheidingsprocedure brengt de man namens de vrouw een referteverklaring in, waarvan de geplaatste handtekening is gelegaliseerd door een kantoorgenoot van de advocaat van de man.

Een referteverklaring is een schriftelijk verklaring van een belanghebbende waaruit genoegzaam blijkt dat de belanghebbende kennis heeft genomen van het verzoekschrift, dat hij geen verweer zal voeren en hij dus ook afziet van een behandeling ter zitting. Een dergelijke verklaring dient te zijn gelegaliseerd door een advocaat.

Terug naar de casus: De vrouw verschijnt niet in de echtscheidingsprocedure. De rechtbank spreekt daarop de echtscheiding tussen partijen uit. Naar aanleiding van een akte van berusting, die dit maal wordt gelegaliseerd door de advocaat van de man, wordt de echtscheidingsbeschikking uiteindelijk ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De gemeente bevestigt de inschrijving vervolgens schriftelijk aan de vrouw.

De vrouw is het niet eens met de echtscheiding en zij verzoekt de rechtbank de doorhaling te gelasten van de akte van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. In dat kader stelt de vrouw dat zij voor het eerst van de gemeente heeft vernomen dat haar huwelijk met de man is ontbonden. Van een daaraan voorafgaande procedure bij de rechtbank was zij niet op de hoogte. De vrouw ontkent ten stelligste de referteverklaring en de akte van berusting te hebben getekend. De echtscheiding kwam volledig als een verrassing, aldus de vrouw.

De advocaat van de man verklaart ter zitting dat de vrouw niet bij haar op kantoor is geweest. Zowel de autorisatie van de handtekening van de vrouw bij de referteverklaring als bij de akte van berusting is gebeurd buiten het bijzijn van de vrouw. Bij de referteverklaring had de man een kopie van het paspoort van de vrouw bij zich, waarbij hij te kennen gaf dat de vrouw geen verweer wenste te voeren tegen de verzochte echtscheiding. Beide keren is niet gecontroleerd of de vrouw begreep wat zij zou hebben ondertekend en of het inderdaad ook haar handtekening was.

Deze handelwijze is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met (artikel 5.5 en bijlage 2) van het Procesreglement Scheiding. Op basis van dit procesreglement dient de advocaat die een referteverklaring legaliseert zich persoonlijk te overtuigen van de wens van de belanghebbende zich te refereren aan het echtscheidingsverzoek. Daarvan was in deze zaak geen sprake. Volgens de rechtbank kan daarom niet worden aangenomen dat de vrouw daadwerkelijk in de echtscheidingsbeschikking heeft berust. Die beschikking is derhalve niet definitief geworden en had niet ingeschreven mogen worden in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw tot doorhaling van de inschrijving wordt daarom door de rechtbank toegewezen.

Deze uitspraak leert ons dat er terecht verstrekkende eisen worden gesteld aan het voeren van een echtscheidingsprocedure. Een echtscheiding heeft immers ingrijpende rechtsgevolgen. Echtgenoten hebben daarbij recht op adequate juridische bijstand.

« Terug naar het overzicht

© 2018 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators