Niemand betaalt graag aan zijn/haar ex-partner partneralimentatie. Ook in de politiek is het draagvlak voor de huidige wetgeving op dit gebied aan de orde gesteld. Zo is er inmiddels een initiatiefwetsvoorstel Wet herziening partneralimentatie ingediend tot wijziging op diverse punten: de duur van de verplichting, de hoogte van de bijdrage en de motivering van de beslissing. Dit alles is evenwel nog onzeker.

In dit artikel ga ik dan ook in op de (on)mogelijkheid om via de notaris voor of staande het huwelijk door middel van het opstellen van huwelijkse voorwaarden afspraken te maken over het afzien van toekomstige partneralimentatie (een nihilbeding). De Rechtbank Rotterdam heeft zich over een dergelijke kwestie in een uitspraak van
2 december 2015 uitgelaten. Het ging daarbij om het volgende.

Een man en een vrouw zijn in 2008 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In het kader van hun voorgenomen echtscheiding verzoekt de vrouw de rechtbank een door de man te betalen partneralimentatie voor een bedrag van € 6.300,– bruto per maand vast te stellen. De man voert verweer en verwijst naar artikel 10 lid 3 van de akte huwelijkse voorwaarden, waarin partijen zijn overeengekomen dat geen plicht tot betaling van (en geen recht op) partneralimentatie kan ontstaan na beëindiging van het huwelijk.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:400 lid 2 BW bepaalt dat overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde alimentatie wordt afgezien, nietig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bepaling ook van toepassing op partneralimentatie. Uit artikel 1:157 BW volgt dat ex-echtgenoten elkaar in beginsel alimentatie verschuldigd zijn, rekening houdend met enerzijds behoefte en anderzijds draagkracht.

De rechtbank verwerpt de stelling van de man dat artikel 1:400 BW alleen ziet op de onderhoudsplicht ten aanzien van bloed- en aanverwanten en niet op de onderhoudsplicht van ex-echtgenoten. Het artikel is opgenomen in Titel 17 Boek 1 BW (‘levensonderhoud’), waarin de verplichting tot het verschaffen van alimentatie zowel voortvloeiende uit bloed- en aanverwantschap als uit de (vroegere) huwelijksband nader wordt geregeld. Naar het oordeel van de rechtbank valt dus niet in te zien waarom artikel 1:400 BW zich zou beperken tot de onderhoudsplicht ten aanzien van bloed- en aanverwanten.

De man stelt daarnaast dat de maatschappelijke opvattingen ten aanzien van partneralimentatie zijn gewijzigd en wijst in dit verband op het initiatiefwetsvoorstel Wet herziening partneralimentatie. De rechtbank is echter van oordeel dat niet vooruitgelopen kan worden op (eventueel) toekomstige wetgeving en past de wet toe zoals deze nu geldt. Dat leidt tot het oordeel dat het nihilbeding in de huwelijkse voorwaarden nietig is.

De man heeft voorts gesteld dat het onaanvaardbaar is dat de vrouw een beroep doet op de nietigheid van het nihilbeding, aangezien partijen over de huwelijkse voorwaarden uitgebreid overleg hebben gevoerd. De rechtbank overweegt dat een beroep op de nietigheid van het nihilbeding slechts onder bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Aan deze bijzondere omstandigheden moeten zware eisen worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak dergelijke bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn. Het enkele feit dat partijen in volle overtuiging het nihilbeding zijn overeengekomen, zoals de man heeft aangevoerd, is onvoldoende. Als de wet bepaalt dat een bepaald soort overeenkomst nietig is, hebben partijen geen contractsvrijheid meer om een dergelijke overeenkomst toch aan te gaan. Dit geldt ook als partijen belangrijke redenen hebben om een nihilbeding aan te gaan. Andere bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld en ook niet gebleken. De rechtbank heeft hierbij voorts gelet op het feit dat partijen gedurende 7 jaar gehuwd zijn geweest en samen kinderen hebben. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw parttime gewerkt in de onderneming van de man en heeft zij een groot deel van de zorg voor de kinderen op zich genomen. De huwelijkse situatie heeft de financiële positie van de vrouw en haar financiële zelfstandigheid nadelig beïnvloed. De rechtbank acht daarom het beroep van de vrouw op de nietigheid van het nihilbeding niet onaanvaardbaar.

Deze uitspraak bevestigt nogmaals de onmogelijkheid een toekomstige verplichting tot het verschaffen van alimentatie bij huwelijkse voorwaarden uit te sluiten. Als partners elkaar dan ook over en weer geen partneralimentatie willen voldoen, dient men niet te trouwen dan wel een geregistreerd partnerschap aan te gaan

« Terug naar het overzicht

© 2018 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators