Bij ons op kantoor behandelen we onder andere letselschadezaken en zaken op het gebied van personen- en familierecht. Dat deze rechtsgebieden wel eens samenkomen, blijkt uit een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 april 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017: 1259). In deze zaak ging het erom of het tijdens het huwelijk aan de vrouw uitkeerde bedrag van € 10.000,– aan schadevergoeding als gevolg van verknochtheid tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorde of niet.

Maar wat is verknochtheid? Als echtelieden zonder huwelijkse voorwaarden trouwen, bestaat vanaf de huwelijksdatum tussen hen van rechtswege een gemeenschap van goederen. Daarin vallen alle goederen en schulden van de beide echtgenoten. Bekende uitzonderingen daarop zijn (1) pensioenrechten die vallen onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding en (2) goederen waarvan bij testament of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (de zogenoemde uitsluitingsclausule).

De derde uitzondering zijn de verknochte goederen zoals bepaald in artikel 1:94 lid 3 BW “Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.” Uit de rechtspraak vloeit voort dat het hier – wanneer voldaan is aan bepaalde voorwaarden – gaat om bepaalde specifieke goederen zoals bijvoorbeeld een VUT-uitkering, een gouden handdruk maar ook een letselschadevergoeding.

In de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam bestond het bedrag van € 10.000,– aan schadevergoeding uit twee onderdelen. In de eerste plaats een bedrag van € 5.000,– aan immateriële schadevergoeding (smartengeld) en in de tweede plaats een bedrag van € 5.000,– aan materiële letselschadevergoeding.

In lijn met de heersende rechtspraak stelt het gerechtshof vast dat het bedrag van
€ 5.000,– aan vergoeding wegens immateriële schade aan de verknocht is in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW. Vervolgens gaat het gerechtshof beoordelen of dat ook geldt voor het bedrag van € 5.000,– aan materiële letselschadevergoeding. Dit bedrag hadden partijen namelijk op de peildatum nog steeds op de gezamenlijke bankrekening staan.

Volgens de vrouw was het bedrag aan haar toegekend in verband met verlies van arbeidsvermogen en economische kwetsbaarheid in de periode voor het huwelijk. In haar visie diende dan ook de jurisprudentie over inkomensderving na het huwelijk analoog te worden toegepast op haar inkomensderving vóór het huwelijk. De man betwist dit standpunt en stelt dat het bedrag tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort.

Het gerechtshof oordeelt – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van
3 november 2006 (LJN AX7805) – als volgt. Voor het antwoord op de vraag of een letselschadevergoeding aan één van de echtgenoten verknocht is, naast de niet in het geding zijnde vaststelling dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval, dient te worden vastgesteld op welke schade van die echtgenoot de vergoeding betrekking heeft. In dit verband heeft de Hoge Raad overwogen dat bijvoorbeeld nodig zal kunnen zijn dat blijkt of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.

Gesteld noch gebleken is dat er bij het toekennen van de letselschadevergoeding aan de vrouw rekening mee gehouden werd, dat sprake was van door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen dan wel dat de vrouw als gevolg van het ongeval blijvend extra medische kosten en/of kosten voor huishoudelijke hulp zou moeten maken. De hoogte van de materiële schadevergoeding voor slechts een bedrag van € 5.000,– wijst er niet op dat dit het geval is geweest.

Bovendien, zo blijkt uit de stellingen van de vrouw, was ten tijde van de huwelijkssluiting niet langer sprake van verlies van arbeidsvermogen en economische kwetsbaarheid en werkte zij volledig. In die situatie heeft zich geen verandering voorgedaan. Het dient er dan ook voor te worden gehouden dat de schadevergoeding niet ziet op schade door blijvende lichamelijke beperkingen als gevolg van het ongeval. Gelet hierop ziet het gerechtshof geen aanleiding de vrouw in haar betoog over analoge toepassing te volgen en de materiële letselschadevergoeding als verknocht aan te merken. Het bedrag van
€ 5.000,– aan materiële letselschadevergoeding behoort dan ook tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De man heeft dus recht op de helft daarvan.

Deze uitspraak leert ons dat in geval van een letselschadevergoeding het van belang is dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt voor wat betreft de materiele schadevergoeding, in die zin wat duidelijk wordt vastgesteld welk bedrag wordt voldaan ter dekking van de directe kosten als gevolg van het ongeval en welk bedrag wordt voldaan ter dekking van de toekomstige kosten zoals blijvend verloren arbeidsvermogen. Het niet maken van een dergelijk onderscheid kan namelijk van belang zijn in het kader van een echtscheidingsprocedure. Heeft u hierover vragen, neem dan gerust contact op. De advocaten van Vallei Advocaten & Mediators hebben de kennis en ervaring om u optimaal bij te staan.

« Terug naar het overzicht

© 2018 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators