In hoeverre is een vergoedingsrecht mogelijk na een relatiebreuk?

Door mrs. R.C.H. Bruinier & R.J. Blauwhoff

Ongeveer een derde van de paren in Nederland is ongehuwd/ongeregistreerd en dat aantal groeit gestaag, zo blijkt uit cijfers van het CBS 1. Door de corona-crisis stellen paren veelal een eventuele trouwwens uit 2. Dat neemt niet weg dat er volop lijkt te worden geïnvesteerd in de bouw c.q. verbouw van (gemeenschappelijke) woningen. Ongetwijfeld zitten tussen de opdrachtgevers veel ‘samenwoners.’

In dit artikel zullen twee recente uitspraken worden behandeld over de vraag of er een vergoedingsrecht kan zijn na een relatiebreuk. Geen denkbeeldig risico in sommige gevallen, gezien de stress die verbouwingen kunnen opleveren…


Gerechtshof Den Haag, 28 september 2020

De eerste uitspraak is die van 28 september 2020 van het Gerechtshof Den Haag 3.Voor zover van belang ging het daarbij om samenlevers met een samenlevingscontract die twee woningen in mede-eigendom hadden, één om gezamenlijk in te wonen en de ander werd aan derden verhuurd (de zogenaamde verhuurwoning).

In maart 2014 werd in de verhuurwoning een hennepkwekerij ontdekt waardoor de woning volledig was uitgewoond. In oktober 2014 is de vrouw in deze woning gaan wonen. In dat kader stelt zij aanzienlijke herstelkosten te hebben gemaakt. Op dit punt maakt zij jegens de man aanspraak op een vergoedingsvordering. Zij beroept zich daarbij op de vergoedingsbepaling ex artikel 1:87 BW voor gehuwden, welke bepaling volgens de vrouw naar analogie voor samenwonenden zou moeten worden toegepast. Hiertegen voert de man verweer, primair stellende dat de vrouw zonder zijn toestemming de voormalige verhuurwoning heeft laten herstellen.

Het gerechtshof stelt voorop dat handelingen dienende tot gewoon (normaal) onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, door ieder van de deelgenoten (de man en de vrouw) zo nodig zelfstandig kunnen worden verricht. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.

Het gerechtshof is van oordeel dat de vrouw vooraf aan de man toestemming had dienen te vragen om de onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren. Deze werkzaamheden konden namelijk niet meer worden aangemerkt als “normaal onderhoud” gelet op het gegeven dat de woning als gevolg van de hennepkwekerij was uitgewoond. Ook had de vrouw niet aangetoond welke kosten specifiek verband hielden met het behoud van de zaak.

Wel bevestigde het gerechtshof het eerdere oordeel van de rechtbank dat er sprake was van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. De man was namelijk mede gebaat door de investeringen die de vrouw in de voormalige huurwoning had gedaan. Hierdoor was hij gehouden een beperkte vergoeding aan de vrouw te voldoen.

Tot slot verwees het gerechtshof naar het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 4.

In dat voor samenlevers belangrijke arrest is door de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over verschillende juridische hangijzers rondom het informeel samenleven. Al decennialang is er namelijk een discussie over de noodzaak van een wettelijke regeling omtrent de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen (informeel) samenlevers. Een dergelijke regeling is er nog steeds niet en de vraag is of deze er ooit zal komen. De regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen, lenen zich in ieder geval niet voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen (informele) samenlevers. Indien en voor zover er dan ook discussie ontstaat over gedane investeringen in een (gezamenlijke) woning (van de ander), dan kan er geen beroep worden gedaan op analoge toepassing van de huwelijkse vergoedingsrechten ex artikel 1:87 BW, zeker wanneer omtrent die analoge toepassing niets in een samenlevingscontract is opgenomen. In plaats daarvan geldt het algemene vermogensrecht waaronder het hiervoor al genoemde leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking. De vergoedingsvordering van de vrouw op basis van de gemaakte herstelkosten werd derhalve afgewezen.

Rechtbank Midden-Nederland, 6 mei 2020

Een andere recente interessante uitspraak is die van 6 mei 2020 van de Rechtbank Midden-Nederland 5. In deze zaak ging het om samenlevers die een woning hadden betrokken welke op naam van één van hen stond. Daarbij hadden zij geen samenlevingsovereenkomst gesloten. Wel waren door de niet-eigenaar – de vrouw – investeringen gedaan in de woning. Na beëindiging van de relatie stelde de vrouw dan ook een vergoedingsvordering in jegens de man.

In het kader van haar vergoedingsvordering doet de vrouw – wellicht het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 in haar achterhoofd – geen beroep op analoge toepassing van artikel 1:87 BW. De rechtbank vindt dat “terecht” en beperkt zich tot een behandeling van de zaak aan de hand van het algemene verbintenissenrecht neergelegd in Boek 6 BW. Bovendien is voor het “onuitgesproken aanhaken” aan de nominale vergoedingsleer voor als investeringen aangeduide betalingen volgens de rechtbank geen plaats wanneer er geen expliciet beroep op artikel 1:87 BW wordt gedaan.

Nu was de bewijspositie van de vrouw die aanzienlijke bedragen geïnvesteerd had in de verbouwing van de slaapkamers van de kinderen, de keuken, de badkamer van de woning van de man best zwak te noemen. Er was namelijk geen sprake van een samenlevingsovereenkomst en na de relatiebreuk slaagden man en vrouw er niet in om tot nadere afspraken te komen, terwijl de woning dus steeds uitsluitend op naam van de man had gestaan.

Aangezien de man eigenaar van de woning was gebleven, betekende dit voor de vrouw dat een beroep op het vergoedingsrecht ex artikel 3:166 lid 1 BW evenmin mogelijk was. Een dergelijk vergoedingsrecht is voor sommige samenlevers niet uitgesloten wanneer er een zogenoemde eenvoudige gemeenschap bestaat en beide partners de woning dus in gemeenschappelijke eigendom hebben (vergelijk de uitspaak van het Gerechtshof Den Haag van 28 september 2020). Toch suggereert de rechtbank wel dat de vrouw de waardevermeerdering van de woning desondanks beter had kunnen onderbouwen door een taxatierapport te overleggen. Open blijft de vraag echter of en in hoeverre het inbrengen van een taxatierapport waarin de waardevermeerdering van de woning kon worden aangetoond, zou hebben bijgedragen aan de toekenning van een vergoedingsrecht.

In het kader van vergoedingsrechten bij samenlevers wordt soms (vergelijk de uitspaak van het Gerechtshof Den Haag van 28 september 2020) ook een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. Interessant is dat een dergelijk beroep op ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw wordt afgewezen. Volgens de rechtbank is er namelijk geen rechtvaardiging te vinden om de man op grond van de redelijkheid en billijkheid tot een betaling aan de vrouw te veroordelen. Wel geeft de rechtbank een aanwijzing hoe het anders c.q. beter had gekund. Zij had in ieder geval moeten stellen dat de man zonder haar investeringen de verbouwing niet zou hebben gedaan terwijl hij dit wel had willen doen, dan wel stellen dat hij dit noodzakelijk vond. Ze had zich namelijk beperkt tot de constatering dat de badkamer oud en aan vervanging toe was. Dat acht de rechtbank onvoldoende voor een beroep op ongerechtvaardigde verrijking.

De man kon in deze uitspraak bij gebrek aan afspraken juist vrij eenvoudig stellen dat hij met de (kennelijk wat sleetse) staat van de badkamer eigenlijk “best tevreden” was en dat zonder de komst van de vrouw met “haar kinderen” de verbouwing niet had plaatsgevonden. Je kunt hem wellicht moeilijk ongelijk geven; het is een eenvoudig (gratuit?) standpunt om in te nemen bij gebrek aan schriftelijke afspraken.

Verder bood ook het beroep op onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW de vrouw geen soelaas. De reden daarvan was dat onderdeel van de afspraak tussen partijen was dat de vrouw de kosten van de verbouwing zou financieren. Dat is volgens de rechtbank een voldoende rechtsgrond.

In aansluiting hierop komt de rechtbank toe aan de behandeling van het beroep op grond van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 lid 1 BW. Een beroep op bijzondere omstandigheden kan een vergoedingsrecht op grond van de redelijkheid en billijkheid meebrengen, dit onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019. Het stellen van een afspraak tussen partijen is daarvoor evenwel volgens de rechtbank alleen onvoldoende. De enkele vaststelling dat de man de keuken, de badkamer en de inbouwkast heeft mogen behouden, is onvoldoende. Anderzijds: de man had niet om de investeringen gevraagd, maar wel met die verbouwingen ingestemd. Niet geheel inzichtelijk, ja misschien zelfs “onbillijk” lijkt dan de overweging dat de man niet geprofiteerd zou hebben van die investeringen en dat hij er dus “in vermogensrechtelijke zin” niet beter op is geworden.

Al met al lijkt de rechtbank dus vast te houden aan het handhaven van het goederenrechtelijk autonomie-beginsel. Iedere huiseigenaar moet in principe immers zelf kunnen besluiten of en, zo ja, wanneer het tijd wordt om de keuken of de badkamer te vernieuwen. Wil men desondanks een geslaagd beroep doen op ongerechtvaardigde verrijking of een andere rechtsgrond uit Boek 6 BW, dan moet kennelijk buitengewoon goed worden onderbouwd dat de ander daadwerkelijk voordeel heeft gehad van de door de ander gemaakte investeringen.

Niet alleen het stellen van een afspraak, maar ook een beroep op een clausule uit het samenlevingscontract kan daarvoor onvoldoende zijn. Ook een samenlevingscontract kan een momentopname zijn waarbij bij gestandaardiseerde contracten niet geanticipeerd is op investeringen als een verbouwing aan de woning. Wil men niet overgeleverd worden aan wat de rechter zal beslissen, dan is dus het advies om niet alleen zo veel mogelijk bij de notaris in een samenlevingsovereenkomst vast te leggen maar deze ook te laten actualiseren.

Is daarmee dan de kous af als alles netjes en bij ingrijpende veranderingen, zoals verbouwingen, bij de notaris wordt vastgelegd? Niet per se. Een overeenkomst kan samenlevers enige houvast bieden wanneer er discussies ontstaan over vergoedingen na een relatiebreuk, maar wees erop bedacht dat een letterlijke uitleg soms ontoereikend kan zijn. Hoewel het arrest van de Hoge Raad van 2019 belangrijke richtsnoeren bevat, is er in menig opzicht rechtsonzekerheid blijven bestaan voor ongehuwde samenlevers.

Onze specialisten

Is er geen samenlevingscontract of is actualisering daarvan bij de notaris een gepasseerd station, dan lijkt het inwinnen van een advies bij één van onze familierechtspecialisten de aangewezen route om meer duidelijkheid te krijgen.

mr. R.C.H. (Richard) Bruinier

mr. R.C.H. (Richard) Bruinier


Personen- en familierecht

Advocaat & Mediator
mr. R.C.H. (Richard) Bruinier
mr. dr. R.J. (Richard) Blauwhoff

mr. dr. R.J. (Richard) Blauwhoff


Internationaal Privaatrecht en Personen- en familierecht

Advocaat
mr. dr. R.J. (Richard) Blauwhoff

  1. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/18/twintigers-en-dertigers-trouwen-minder
  2. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/23/minder-huwelijken-gesloten-tijdens-coronacrisis.
  3. Gerechtshof Den Haag 28 september 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1773, r.o. 31).
  4. Hoge Raad 10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:707)
  5. Rechtbank Midden-Nederland 6 mei 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:1665)
« Terug naar het overzicht

© 2020 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators