Geen internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in geval van een ‘noodsituatie’ (forum necessitatis) in verband met corona

Geen internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in geval van een ‘noodsituatie’ (forum necessitatis) in verband met corona

Een vraag die in het internationaal privaatrecht (IPR) speelt, is de vraag of de (nationale) rechter bevoegd is om te beslissen over een zaak wanneer deze wordt voorgelegd. Bij ‘rechtsmacht’ of ‘bevoegdheid’ gaat het er in het ipr om onder welke omstandigheden en voorwaarden een rechter internationale bevoegdheid kan aannemen en wanneer dit juist niet mag. Het Nederlandse IPR kent verschillende Europese verordeningen, internationale verdragen en bepalingen van nationaal recht die voor deze vraag relevant zijn.

Ten aanzien van echtscheidingen is Nederland, net als de meeste lidstaten van de EU, gebonden aan de Verordening Brussel II bis. De gewone verblijfplaats en de nationaliteit van de betrokkene(n) zijn vaak bepalend voor het vaststellen van de rechtsmacht.  Ook bij verblijf van ten minste zes maanden in een lidstaat onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek kan de (Nederlandse) rechter bevoegd zijn. Hebben beide echtgenoten de nationaliteit van een lidstaat, zoals Nederland dan kan het echtscheidingsverzoek ook in Nederland worden aangebracht (artikel 3 lid 1 onder b). Heeft slechts één van de echtgenoten de Nederlandse nationaliteit en wonen zij, kort gezegd, buiten de EU ten tijde van de indiening van het verzoek, dan is het lastiger om de procedure aan te brengen in Nederland.

Als Nederlandse echtgenoten buiten de EU wonen, kan het lastiger zijn om een zaak aan te brengen bij de Nederlandse rechter. Toch kan het soms enige verbazing wekken wanneer zij een echtscheidingsverzoek niet aan de Nederlandse rechter kunnen voorleggen. 

Soms wordt in dat kader een beroep gedaan op een ‘noodsituatie’ op grond waarvan partijen menen dat zij hun zaak toch moeten voorleggen aan de Nederlandse rechter. Hiertegenover staat de Nederlandse rechter echter meestal terughoudend.

Nevenvoorzieningen

Wanneer de Nederlandse rechter geen internationale rechtsmacht of bevoegdheid heeft om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen, lijkt het voor de hand te liggen dat dit direct ook gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de aangezochte rechter om te beslissen over verzochte nevenvoorzieningen. Toch is dat niet geheel juist. Een nevenvoorziening kan worden gezien als een beslissing van de rechter over een verzoek dat samenhangt met het echtscheidingsverzoek, maar daar toch ook los van staat. De rechter kan een nevenvoorziening treffen voor verschillende onderwerpen: het gezag, de informatie en zorg- en contactregeling met minderjarige kinderen, de partneralimentatie en/of kinderalimentatie. In een arrest van 2018 waarnaar het Hof Den Haag onlangs verwees in een uitspraak van 27 januari 2021, bevestigde de Hoge Raad reeds dat de Nederlandse rechter zijn internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de nevenvoorzieningen afzonderlijk moet beoordelen. [1]

Forum necessitatis

Dat onderscheid waar het gaat om de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de echtscheiding enerzijds en de nevenvoorzieningen anderzijds zien we dus terug in een uitspraak van 27 januari 2021 van het Hof Den Haag.[2] Daarin werd, overigens zonder succes, een beroep gedaan op het zogenaamde forum necessitatis dat is neergelegd in artikel 9 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Het forum necessitatis betreft situaties waarin buiten Nederland geen andere bevoegde rechter zou kunnen worden gevonden om te beslissen over het geschil (dan heb je het over een juridische onmogelijkheid), of waarin weliswaar een bevoegde rechter kan worden gevonden maar deze, bijvoorbeeld als gevolg van oorlog of natuurrampen, onbereikbaar is, in de zin dat communicatie volstrekt onmogelijk is (feitelijke onmogelijkheid).[3] Dat een buitenlandse rechter partijdig, politiek beïnvloedbaar en/of corrupt blijkt, is overigens onvoldoende om een ‘onmogelijkheid’ aan te nemen. 

Het tegengaan van forumshopping oftewel het ‘strategisch’  selecteren van een bepaalde nationale rechter om de zaak aan te brengen, veelal omdat men elders een gunstigere beslissing verwacht, is door het Europese Hof voor de Recht van de Mens (EHRM) in dat verband erkend als een goede reden om strenge eisen te stellen aan de bevoegdheid van de rechter.[4] Het stellen van voldoende binding van de zaak met de forumstaat wordt gezien als een legitiem doel. 

Kort gezegd komt het erop neer dat van een absoluut recht op toegang tot de rechter, beschermd door artikel 6 EVRM, geen sprake is en dat het beroep op de Nederlandse rechter om die reden in verband met het forum necessitatis niet aan de orde is. De ‘noodsituatie’ die het forum necessitatis vereist, moet bovendien steeds beperkt en terughoudend worden uitgelegd. 

Terughoudendheid en uitzonderingen

Dat neemt niet weg dat een noodbevoegdheid heel af en toe door de Nederlandse rechter is aangenomen, ook in internationale familiezaken. Ibili wijst op een aantal uitspraken, zoals gevallen waarin procederen in het buitenland werd bemoeilijkt door een oorlog (Irak), waarin het voor de verzoeker onmogelijk was om in het buitenland echtscheiding te vragen (Malta), waarin de verzoeker de behandeling van de buitenlandse procedure niet kon bijwonen (India), waarin er voor de eiser in het buitenland een eerlijk proces onvoldoende was gewaarborgd (Turkmenistan) alsook situaties waarin de gedaagde voor de eiser volstrekt ontraceerbaar en onvindbaar was.[5]

Terug naar de uitspraak van het hof van 27 januari 2021. In deze recente uitspraak van het Hof Den Haag had de vrouw de gewone verblijfplaats in Oezbekistan en de man in Tsjechië, een EU-lidstaat.  De vrouw vond dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd had verklaard en beriep zich op de gemeenschappelijke Nederlandse nationaliteit van de man (dus niet: beide echtgenoten) en hun kinderen. Dat is in het algemeen onvoldoende grond voor de Nederlandse rechter om bevoegdheid aan te nemen.

Interessant en actueel was dat de vrouw, mogelijk in het kader van haar beroep op een noodsituatie waarom zij zich tot de Nederlandse rechter moest wenden, wees op de beperkingen die de coronacrisis wereldwijd heeft meegebracht. Maar zou de Oezbeekse rechter dan vanwege corona niet op een echtscheidingsverzoek kunnen beslissen? Het hof ging er in elk geval niet in mee. Partijen hadden namelijk op geen enkele wijze onderbouwd waarom zij wat betreft het echtscheidingsverzoek niet bij de Tsjechische of bij de Oezbeekse rechter terecht konden. Kortom, van een ‘noodsituatie’ leek geen sprake. De Nederlandse nationaliteit van beide echtgenoten kon voor het aannemen van bevoegdheid ten aanzien van de echtscheiding evenmin het verschil maken.

Waarom niet? De verordening Brussel II-bis bood voorzag ten aanzien van het echtscheidingsverzoek in een bevoegdheidsgrond. Van een ‘noodsituatie’ kon volgens het hof dus geen sprake zijn, kort gezegd, omdat  de man het echtscheidingsverzoek kon indienen wanneer hij onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek een jaar in een lidstaat (in zijn geval Tsjechië) zou hebben gewoond (artikel 3 lid 1 sub a vierde gedachtestreepje van de verordening). Dat gegeven betekende dus dat er volgens het hof ook geen ruimte was voor een geslaagd beroep op de zogenaamde ‘residuele bevoegdheidsregels.’ Artikel 7 van de Brussel II-bis verordening laat aan de wetgever van de lidstaten ruimte voor het toepassen van hun eigen bevoegdheidsregels in uitzonderlijke situaties, zoals het forum necessitatis van artikel 9 Rv, wanneer de hoofdregels van de verordening op het gebied van de bevoegdheid niet van toepassing zijn. 

Wel bevoegd ten aanzien van (bepaalde) nevenvoorzieningen

Anders dan de rechtbank oordeelde het hof dat het ontbreken van de Nederlandse rechter ten aanzien van de verzochte echtscheiding nog niet betekende dat hij dus ook niet mocht beslissen over de nevenvoorzieningen (onder verwijzing naar het voormelde arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2018). Hoewel het hof ook geen bevoegdheid aannam om te beslissen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, bij gebrek aan een grondslag in de Europese verordening huwelijksvermogensstelsels (nr. 2016/1103), lag dat anders voor alle andere verzochte nevenvoorzieningen. Denk aan de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de pensioenverevening. Daarvoor zijn  bevoegdheidsregels aanwijsbaar op grond waarvan de Nederlandse rechter daarover wèl mag beslissen. Het voert te ver om de bevoegdheidsregels hier verder uiteen te zetten. Heeft u over dergelijke onderwerpen, bijvoorbeeld als Nederlander in het buitenland, rechtsvragen, dan kunt u hierover navraag doen bij onze familierechtadvocaten.

Over het forum necessitatis kan nog wel het volgende worden opgemerkt.

Moet de rechter altijd vaststellen of er misschien een ‘noodsituatie’ is waarom hij toch moet beslissen?

Het korte antwoord luidt: nee. Het forum necessitatis wordt door Nederlanders in het buitenland ook in sommige andere zaken aangegrepen als bevoegdheidsgrond. Bijvoorbeeld in adoptiezaken waarbij Nederlandse ouders buiten Nederland de gewone verblijfplaats hebben wordt soms een beroep gedaan op het forum necessitatis. Een vraag die dan kan spelen, is of de Nederlandse rechter in zijn uitspraak steeds moet motiveren welke bepalingen hij niet heeft toegepast en waarom die toepassing buiten beschouwing is gebleven, in het bijzonder het forum necessitatis. Van een algemene ‘ ambtshalve plicht’ voor de rechter om de toepassing van het forum necessitatis te onderzoeken, lijkt geen sprake te zijn.[6]  Dat kan worden afgeleid uit een ander arrest van de Hoge Raad. Daarin ging het om een Nederlandse man en Braziliaanse echtgenote, beiden met gewone verblijfplaats in Brazilië, die verzocht hadden om adoptie naar Nederlands recht van een reeds in Brazilië geadopteerd kind.

Door de veelvoud aan regelingen is de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter vrij complex te noemen. Aangezien een beroep op het forum necessitatis vaak niet aan de orde hoeft te zijn omdat er een andere basis voor rechtsmacht aanwijsbaar is en/of de ‘drempel’ voor de aanvaarding daarvan voor de rechter hoog zal liggen, is het raadzaam om u vooraf goed te laten adviseren indien u vanuit een derde land een familierechtelijke procedure in Nederland wil aanbrengen maar twijfelt of dat wel haalbaar is. Heeft u vragen over internationaal familierecht, dan kunt u zich wenden tot onze familierechtadvocaten.


[1] HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31

[2] Gerechtshof Den Haag 27 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:100.

[3] Vgl. ook HR 14-02-2020, ECLI:NL:HR:2020:259, NJ 2020/145.

[4] Ibili, Forum necessitatis en EVRM, WPNR 7199, 16 juni 2018, onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM Naït-Liman tegen Zwitserland, nr. 51357/07, van 15 maart 2018.

[5] Ibili, WPNR 7199, 16 juni 2018.

[6] Hoge Raad 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2026. Daarin ging het om een Nederlandse man en zijn Braziliaanse echtgenote, beiden met gewone verblijfplaats in Brazilië. Zij hadden verzocht om adoptie naar Nederlands recht van een reeds eerder in Brazilië geadopteerd kin.

« Terug naar het overzicht

© 2021 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators