De 15-april arresten & de statutair bestuurder: hoe zat het ook alweer?

Op 15 april 2005 wees de Hoge Raad drie arresten over het ontslag van de statutair bestuurder. 1

Het uitgangspunt van de 15-april arresten is dat een rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit, de arbeidsrechtelijke beëindiging tot gevolg heeft.

De 15-april arresten & de statutair bestuurder: hoe zat het ook alweer?

Voor de rechtspositie als bestuurder gelden de regels van het vennootschapsrecht, voor de rechtspositie als werknemer gelden de regels van het arbeidsrecht.

Het uitgangspunt van de 15-april arresten is dat een rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit, de arbeidsrechtelijke beëindiging tot gevolg heeft. Het ontslagbesluit impliceert als het ware de arbeidsrechtelijke opzeggingshandeling, ook als dat niet met zoveel woorden in het ontslagbesluit staat. Dit geldt, tenzij sprake is van toepasselijkheid van een opzegverbod (artikel 7:670 BW) of partijen anders overeenkomen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat dit alleen van toepassing is wanneer de bestuurder ook in dienst is bij de vennootschap waar hij rechtsgeldig is benoemd. Dit geldt (op dit moment nog) niet voor bestuurders van verenigingen en stichtingen (het wetsvoorstel is op het moment van schrijven in behandeling bij de Tweede Kamer).

In dit artikel zal nader worden stilgestaan bij de 15-april arresten (met de nadruk op een BV).

Rechtsgeldig benoemingsbesluit

Om überhaupt te kunnen spreken over een rechtsgeldig ontslagbesluit, moet er eerst sprake zijn van een rechtsgeldig benoemingsbesluit.

De benoeming van bestuurders geschiedt voor de eerste maal bij akte van oprichting en later door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, tenzij de benoeming overeenkomstig artikel 2:162 BW door de Raad van Commissarissen geschiedt. Of er daadwerkelijk sprake is van een rechtsgeldig benoemingsbesluit, is veelal ingewikkelde materie.

Om te beginnen is een schriftelijk besluit geen geldigheidsvereiste (wel dient het bestuur schriftelijk aantekening te houden ex artikel 2:230 lid 4 BW) 2. In de praktijk komt het dan ook veelvuldig voor dat geen sprake is van een schriftelijk benoemingsbesluit.

Daarnaast is het ontbreken van inschrijving als bestuurder in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet beslissend 3. Aan de andere kant betekent een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet dat sprake is van een sluitend bewijs voor het bestaan van een benoemingsbesluit 4. Het komt erop neer dat een inschrijving slechts een ‘aanwijzing’ vormt voor de benoeming 5.

Van belang is verder dat de persoon in kwestie ook daadwerkelijk de benoeming aanvaardt. In de praktijk is het raadzaam voor aanvaarding en ontvangst van het benoemingsbesluit te laten tekenen door de bestuurder, de aanvaarding van de benoeming ook in overwegingen in de arbeidsovereenkomst op te nemen en volledigheidshalve het benoemingsbesluit te hechten aan de arbeidsovereenkomst. De inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan daarop een mooi sluitstuk vormen.

Hoe zit het nou als een bestuurder op grond van verklaringen of gedragingen van de vennootschap heeft aangenomen dat hij tot bestuurder is benoemd? Moet diegene dan ook daadwerkelijk worden aangemerkt als bestuurder? De Hoge Raad heeft in de zaak Van Ekelenburg / Squamish Corporation 6 overwogen dat niet kan worden aanvaard dat degene die ondanks ontbreken van een benoemingsbesluit op grond van verklaringen of gedragingen van de vennootschap aanneemt dat hij tot bestuurder is benoemd, ook daadwerkelijk als bestuurder moet worden aangemerkt. Ook kan niet worden aangenomen dat de vennootschap het recht kan verwerken zich ertegen te verzetten dat degene die meent benoemt te zijn, als zodanig moet worden aangemerkt.

Volledigheidshalve wordt in dit kader nog opgemerkt, dat het ontbreken van het advies van de ondernemingsraad aangaande de voorgenomen (her)benoeming ex artikel 30 WOR, de rechtsgeldigheid van het benoemingsbesluit niet aantast.

Rechtsgeldig ontslagbesluit

In deze kwesties zal doorgaans worden aangevoerd dat sprake is van een nietig dan wel vernietigbaar besluit. De vraag die in dat geval dan ook voorligt is of het ontslagbesluit rechtsgeldig is.

Te allen tijde dient schorsing en ontslag te geschieden door het orgaan dat ook benoemt (artikel 2:134 BW). De RvC is overigens te allen tijde bevoegd bestuurder te schorsen (artikel 2:147 BW).

Laten we er vanuit gaan dat benoeming geschiedt door de AvA en daarmee ook het bevoegde orgaan is om te ontslaan.

Hoe ziet zo een (ontslag)procedure eruit?

  • Allereerst moet er sprake zijn van een oproeping (in de statuten staat veelal wie daarvoor zorg draagt);
  • De oproeping vindt plaats (termijn oproeping minimaal 8 of 15 dagen);
  • De oproeping behelst een agenda, redengeving voorgenomen ontslag, benoeming raadgevende stem en horen. De preventieve ontslagtoets is niet van toepassing op de bestuurder (vooralsnog wel voor de stichtingsbestuurder).
  • Agenda: de omschrijving van de geagendeerde onderwerpen dient zo gedetailleerd te zijn, dat de opgeroepene kan beoordelen of zijn belangen door het voorstel worden geraakt. NB: onduidelijkheid over de agenda kan leiden tot een vernietiging van de oproeping voor de AvA.
  • Redengeving voorgenomen ontslag: over de vraag of in de oproeping of de agenda de gronden van het voorgenomen ontslag moeten worden opgenomen, wordt in de lagere rechtspraak wisselend geoordeeld. Gelet op het hoorrecht en de raadgevende stem van de bestuurder, is het echter wel van belang dat de bestuurder weet waarom zijn ontslag dreigt. Als het niet vermelden van de grond in de weg staat aan een goede uitoefening van het hoorrecht of de raadgevende stem, dan zou dat tot vernietigbaarheid kunnen leiden (ex artikel 2:15 BW).
  • Raadgevende stem bestuurder in de AvA (artikel 2:117 BW): het is de bedoeling dat rekening wordt gehouden met de stem van alle bestuurders en commissarissen. Deze raadgevende stem is overigens niet bindend voor de AvA, maar dient wel serieus in overweging te worden genomen.
  • De bestuurder dient tijdens de AvA te worden gehoord over het voorgenomen ontslag. Op grond van vaste jurisprudentie heeft te gelden dat een besluit om een bestuurder van een rechtspersoon te ontslaan, dat is genomen zonder de bestuurder daaraan voorafgaand over dat besluit te horen, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Dit maakt dat het ontslagbesluit op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar is.
  • Alternatief: het raadplegen van de bestuurder buiten vergadering voorafgaand aan het besluit buiten vergadering.

De keerzijde van de 15-april arresten is dat een niet rechtsgeldig ontslagbesluit ook leidt tot een niet rechtsgeldig arbeidsrechtelijk ontslag. Dit betekent dus ook dat een vernietigd vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit, ertoe leidt dat de arbeidsrechtelijke beëindiging ongeldig is.

Redelijke grond & billijke vergoeding

Een bestuurder kan aldus ontslagen worden zonder instemming en zonder tussenkomst van het UWV of de kantonrechter (geen preventieve toets). De vennootschap heeft daarmee een grote vrijheid om te kiezen door wie zij wil worden bestuurd.

Daarnaast kan de arbeidsovereenkomst van een ontslagen statutair bestuurder niet door de rechter worden hersteld. Het arbeidsrechtelijke ontslag van een bestuurder kan in een gerechtelijke procedure niet als zodanig worden aangevochten en hersteld. De achtergrond hiervan is het principe dat een statutair bestuurder altijd moet kunnen worden ontslagen door het bevoegde orgaan (de vrijheid van de vennootschap om te kiezen door wie zij wil worden bestuurd). Hierop gelden de twee reeds besproken uitzonderingen: (1) als er sprake is van een wettelijk opzegverbod (zoals tijdens ziekte) en (2) wanneer andersluidende afspraken zijn gemaakt.

De vraag of sprake is van een redelijke grond voor het bestuurdersontslag, komt aan de orde in de procedure die wordt gevoerd nadat het ontslagbesluit is genomen. Dit is een procedure ex artikel 7:682 lid 3 BW.

Een bestuurder kan namelijk een billijke vergoeding vorderen als een redelijke grond voor het ontslag ontbreekt. Het ontbreken van een redelijke grond of het niet voldoen aan de herplaatsingsplicht (aldus schending van artikel 7:669 BW), leidt tot verschuldigdheid van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 3 onder a BW.

Van belang is overigens dat ook bij een statutair bestuurder, de herplaatsingsverplichting van artikel 7:669 BW serieus moet worden genomen (deze plicht geldt immers in volle omgang voor de bestuurder). In de praktijk is het denkbaar dat herplaatsing niet of minder in de rede ligt, maar dat neemt niet weg dat wel serieus onderzoek moet worden gedaan naar herplaatsing. De hoge positie van de werknemer als statutair bestuurder maakt niet dat op zichzelf geen herplaatsing kan worden gevergd. Het enkel nagaan of er binnen de eigen onderneming in plaats van “mondiaal” een vergelijkbare managementfunctie beschikbaar is, is onvoldoende en maakt dat er aanleiding bestaat om een billijke vergoeding toe te kennen wegens schending van artikel 7:669 BW. 7

Ook kan een statutair bestuurder die is ontslagen en daaraan een redelijke grond aan het ontslag ten grondslag is gelegd, een billijke vergoeding vragen wanneer sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de vennootschap. Gedacht kan daarbij worden aan de situatie waarin een verstoorde verhouding is ontstaan (g-grond), maar die verstoring volledig is te wijten aan de vennootschap.

Het algemene beeld uit de rechtspraak is dat relatief snel wordt aangenomen dat sprake is van een redelijke grond (veelal de h-grond: andere omstandigheden, de restgrond) bij een bestuurdersontslag en dat niet snel sprake is van strijdigheid met artikel 7:669 BW. In dat geval is voor een billijke vergoeding (naast de wettelijke transitievergoeding) dan ook geen plaats.

Spiegelbeeldige situatie

Het arrest Bartelink/Ciris (15 april 2005) betreft de spiegelbeeldige situatie waarin de bestuurder zijn bestuurderschap eenzijdig neerleg. Wat gebeurt er dan met de dienstbetrekking?

Ook dan geldt dat hiermee in beginsel zijn dienstbetrekking eindigt. Niet kan worden aanvaard dat de bestuurder de ontslagname eenzijdig kan beperken tot het verlies van de hoedanigheid van bestuurder, maar met instandhouding van de dienstbetrekking. 8

Arbeidsrechtelijk advies

Bent u opgeroepen voor een AvA waarin uw ontslag op de agenda staat of wenst u juist over te gaan tot het ontslaan van een statutair bestuurder? Laat u goed adviseren voordat u handelt en laat u ook tijdens deze procedure goed vertegenwoordigen (voor of achter ‘de schermen’). Neemt u gerust contact met onze arbeidsrechtspecialisten op om te bespreken wat wij voor u kunnen betekenen.

mr. M.F.M. (Martijn) Groot Kormelink

mr. M.F.M. (Martijn) Groot Kormelink


Arbeidsrecht en Ondernemingsrecht

Advocaat & Mediator
mr. M.F.M. (Martijn) Groot Kormelink
mw. mr. E. (Edita) Tesnjak

mw. mr. E. (Edita) Tesnjak


Arbeidsrecht en Ondernemingsrecht

Advocaat
mw. mr. E. (Edita) Tesnjak
  1. HR 15 april 2005, JOR 2005/145 (Eggenhuizen/Unidek), HR 15 april 2005, JOR 2005/144 (Bartelink/Ciris)
  2. Hof Amsterdam, 23 oktober 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9114
  3. Hoge Raad 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5475
  4. Hoge Raad 2 juni 1977, ECLI:NL:PHR:1977 :AD8096
  5. Hof Den Haag, 8 juli 1999, JAR 1999/177
  6. Hoge Raad 15 december 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA9047
  7. Rechtbank Amsterdam, 29 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8549
  8. Hoge Raad 15 april 2005, JOR 2005/144 (Bartelink/Ciris)
« Terug naar het overzicht

© 2020 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators