Vorige week heeft de Rechtbank Gelderland een interessante uitspraak[1] gedaan. De moeder van het kind had de vermoedelijke verwekker (verzoeker) ontmoet tijdens de Nijmeegse Vierdaagse. Inmiddels was de moeder gehuwd met een (andere) man. Het kind is geboren tijdens het huwelijk van de moeder en haar huidige partner. Vanwege het huwelijk van de moeder was die laatste man de juridische vader van het kind. In geschil is in de eerste plaats de wens van de biologische vader om het kind te informeren over diens afstamming. Dat is een recht van het kind dat op grond van internationale verdragen vaak zwaar mee weegt in afstammingszaken. Dat belang om ‘te weten wie’  onderkent de rechtbank ook in deze zaak wel. Alleen de rechtbank ziet het vooral als een recht van het kind en de taak om het kind over zijn afkomst te informeren als iets voor de juridische ouders, oftewel de moeder en haar echtgenoot. De biologische vader wilde niet alleen het kind met hemzelf confronteren, maar ook een relatie opbouwen met het kind (omgang). De moeder en haar echtgenoot vinden dat onwenselijk omdat ze het kind op willen laten groeien in een stabiel gezin. Dat belang weegt in deze uitspraak uiteindelijk zwaarder. Maar hoe zit het dan met de rechten van de biologische vader en die van het kind?

In het VN-Kinderrechtenverdrag ligt de verdragsrechtelijke basis van het recht van het kind om zijn ‘ouders’ te kennen en door hen te worden verzorgd (artikel 7 lid 1 IVRK) en op zijn eigen identiteit (artikel 8 IVRK). Ook door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wordt dit recht principieel erkend. Het kind heeft dit informatierecht volgens artikel 7 lid 1 IVRK  ‘voor zover mogelijk.’ Er zijn dus zeker grenzen aan het recht om de ‘ouders’ te kennen. Toch weegt het recht van het kind echter doorgaans zwaar. Ook zijn de meesten het erover eens dat met ‘ouders’ in het IVRK in ieder geval ook de biologische ouders van het kind bedoeld worden. Maar mag de biologische vader daarin zelf het voortouw nemen en het kind met de ‘waarheid’ confronteren?

In deze zaak wordt de verantwoordelijkheid voor het informeren van het kind door de rechtbank dus primair bij de juridische ouders  gelegd. Het is bijgevolg niet aan man die zelf beweert de verwekker te zijn om een nog zeer jong kind te informeren. Dat zou kennelijk voor het betrokken kind te confronterend en ontwrichtend zijn.

De belangen van het kind en het gezin waarin hij opgroeit, wegen zwaarder dan het (persoonlijkheids-)recht van de man bij vaststelling van het mogelijke biologisch vaderschap (artikel 8 EVRM). Bij deze afweging neemt de rechtbank in aanmerking dat de man zijn stelling dat hij de verwekker is, baseert op WhatsApp-berichten. Daaruit maakte hij op dat de vrouw toen het kind verwekt werd, alleen met hem geslachtsgemeenschap zou hebben gehad. In de overgelegde WhatsApp-berichten kan de rechtbank alleen niet teruglezen dat de vrouw de man zou hebben laten weten dat hij de vader van het kind zou kunnen zijn.

De rechtbank is uiteindelijk van oordeel dat ook een DNA-onderzoek een te grote inbreuk zal hebben op de persoonlijke levenssfeer van het gezin, omdat dat de balans binnen het gezin waarin het kind wordt verzorgd en opgroeit ernstig zal verstoren. In hoeverre de rechtbank de jeugdige leeftijd van het kind verder ook meeweegt, is niet helemaal duidelijk.

Ook wijst de rechtbank het verzoek om omgang van de (vermoedelijke) verwekker af.  Als er al sprake was van een seksuele relatie tussen de man en de vrouw, dan is niet gebleken dat zij de intentie hadden om samen een gezinsleven te starten (‘de vrouw kon immers geen kinderen krijgen’). Uit de overgelegde WhatsApp-berichten tussen de man en de vrouw, daargelaten of deze berichten echt of nep zijn, valt bovendien niet expliciet op te maken dat de vrouw de man als verwekker van het kind aanwijst. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de man het kind nooit heeft gezien en dat hij nog geen juridische stappen had gezet tot verkrijging van het juridische ouderschap vóór de geboorte van het kind en vóór het huwelijk van de moeder met haar echtgenoot (de juridische vader van het kind).

Dat roept de vraag op of er wel recht op omgang kan bestaan als er nooit contact geweest is tussen ouder en kind, maar wanneer dit waarschijnlijk wel aan de orde zou zijn geweest als er geen geschil was ontstaan. Misschien is het contact door de moeder en haar echtgenoot in deze zaak wel actief tegengehouden?

Uit rechtspraak van het EHRM blijkt wel dat er soms toch sprake kan zijn van een nauwe persoonlijke betrekking ook al is er niet of nauwelijks sprake geweest van contact tussen het kind en de biologische vader. Zo ver hoeft het voor de rechtbank niet te komen. De biologische vader zal zich, kortom, niet mogen mengen in het gezinsleven. Voor al uw vragen over het afstammings- of omgangsrecht dan wel andere vragen over het familierecht, kunt u terecht bij de advocaten van Vallei Advocaten & Mediators.


[1] Rechtbank Gelderland, 29 januari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:631.

« Terug naar het overzicht

© 2020 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators