Op 15 mei 2017 heb ik een artikel geschreven over de vraag of een letselschadevergoeding verknocht is of niet. In een al wat oudere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:1643) ging het om de vraag of een schuld uit hoofde van achterstallige partneralimentatie, meer in het bijzonder aan een eerdere echtgenote, verknocht was. De feiten in die zaak waren als volgt.

De man en de vrouw zijn in 2008 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Voor de man was dit het tweede huwelijk. Eerder was hij gehuwd met mevrouw X, tegenover wie hij alimentatieplichtig was.

In 2015 wordt het huwelijk tussen de man en de vrouw door echtscheiding ontbonden. In het kader van de echtscheidingsprocedure twisten partijen onder andere over de vraag of de schuld van de man aan achterstallige partneralimentatie voor mevrouw X (die inmiddels was opgelopen tot een bedrag van € 40.000,00) ieder bij helfte gedragen diende te worden.

De Rechtbank Midden-Nederland beantwoordt die vraag bevestigend. De vrouw gaat tegen dit oordeel in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Volgens haar is de alimentatieschuld aan de man verknocht. Daarnaast beroept zij zich op de redelijkheid en billijkheid.

Het gerechtshof stelt voorop dat naar de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 en 5 BW de gemeenschap alle goederen en schulden van de echtgenoten omvat. Voor een uitzondering op deze hoofdregel op grond van artikel 1:94 lid 3 BW in verband met verknochtheid is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd (namelijk dat deze schuld een hoogstpersoonlijk karakter heeft, dat maatschappelijke opvattingen zich ertegen verzetten dat de schuld in de gemeenschap valt en dat zij tijdens het huwelijk geen voordeel heeft genoten van die schuld) is naar het oordeel van het gerechtshof onvoldoende om de schuld als verknocht aan te merken.

In artikel 1:100 lid 1 BW is bepaald dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap hebben, zodat een gemeenschapsschuld door de echtgenoten gezamenlijk – ieder voor de helft – wordt gedragen. Wat betreft het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid, is het gerechtshof van oordeel dat dat de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat in dit geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De vrouw wist namelijk dat de man een onderhoudsplicht had tegenover mevrouw X en door in gemeenschap van goederen met hem te trouwen, wist zij dan wel behoorde zij te weten dat een eventuele schuld wegens achterstallige alimentatie tot de huwelijksgoederengemeenschap zou (gaan) behoren. Het gerechtshof ziet kortom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld en zij bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Deze uitspraak leert ons dat toekomstige echtelieden elkaar goed dienen te informeren over ieders financiële situatie alvorens men in gemeenschap van goederen wil gaan trouwen. Zijn er twijfels en/of (aanzienlijke) schulden bij een of beide toekomstige echtelieden, dan geniet het de aanbeveling op huwelijkse voorwaarden met elkaar te gaan trouwen. Dit voorkomt een hoop discussie mocht het huwelijk onverhoopt door echtscheiding eindigen.

Heeft u vragen hierover, neem dan gerust contact op met Vallei Advocaten & Mediators.

« Terug naar het overzicht

© 2018 - Alle rechten voorbehouden - Vallei Advocaten & Mediators